<< Vorige - Volgende >>


NK44: door Anthon Fasel


Laurierboom



NK44: door Anthon Fasel




Gevallen

In de prille lentelicht leek in het café een enorme doek uitgeklopt, waarvan het stof nog door de lucht zweefde, juist voordat de zon er binnenviel. 
Ondanks het vroege middaguur zaten er al wat mensen binnen. Een wat ouder stel zocht aan een tafeltje naar conversatie, waarbij de vrouw tastte naar een opening in zijn muur van vervlogen belangstelling.
Aan de bar zat een jongere man, die met overtuiging bier dronk. Hij was niet zozeer gulzig, maar dronk als met een krijgskundige opdracht. In afgepaste slokken dronk hij zijn glas leeg waarna hij naar de barman knikte, die het wellicht naderende onheil met tactische vertraging trachtte uit te stellen en veel tijd nam voor de bestelling.
Toen ik naast hem plaatsnam, zei hij : “Je zal wel denken.’
Nu viel dat wel mee. Ik heb in mijn leven veel mensen zien drinken, met en zonder aanleiding, maar ik had geleerd op voorhand geen conclusies te trekken.
“Ik heb haar hier ontmoet,” zei de man toen, “ Hier in dit café. Nou ja of eigenlijk buiten het café.’ Hij wees met een vaag gebaar naar de deur die achter een gordijn schuilging.
“Ik ging naar huis. Slokkie op, maar prettig hoor, heel prettig.” Hij knikte bij de herinnering.
“Ik stapte de deur uit, en boem, daar lag ik. Want daar lag zij. Ik bedoel, zij lag daar en ik viel over haar. Ook een slokkie op. Een groot slokkie. Zeg maar een slok. En ik weet niet waarom, maar ik moest lachen. En zij ook. En zo lagen we daar te lachen en even later lagen we bij haar thuis. “ Weer glimlachte hij. Ook dit was blijkbaar geen pijnlijke herinnering.
“En we bléven bij elkaar. En we hielden elkaar vast. Ook na een slokkie. Wat heb ik haar vaak naar huis moeten dragen. Maar we bleven altijd lachen. En daarom zijn we bij elkaar gebleven denk ik. Toen werd ze ziek en...’ Hij maakte een vaag gebaar. ‘Ze werd ziek. En dronk niet meer. En ze werd zo chagrijnig als een kaketoe in Artis. Nou ja, dus ging ik maar alléén hier naar toe. Voor een slokkie. En een beetje lachen.”
Hij keek grimmig naar de kastelein die geruststellend knikte en een glas vulde. 
“ Vanochtend heb ik haar weggebracht. Alléén, want dat wilde ze. Alleen met mij.’ Hij glimlachte in de verte. “En ze had opgeschreven dat  ik wat mocht gaan drinken, daarna.Maar niet teveel omdat ik alleen naar huis moest.‘ Weer keek hij in de verte. Hij leegde zijn glas en gebaarde hij naar de man dat hij het op moest schrijven en stapte naar de deur.
Hij ging naar buiten en ik zag hoe hij heel behoedzaam zijn voeten optilde. Alsof hij even over iets of iemand heen moest stappen. 


Anthon Fasel

464




...